De circulaire economie is booming business. Als we, zoals circulair architect Thomas Rau betoogt, onze economie willen baseren op gebruik in plaats van verbruik, moeten we radicaal anders gaan nadenken over bezit. Hoewel er heel wat literatuur over de circulaire economie is verschenen, ontbreekt het aan een fundamentele eigendomsanalyse. In De vernietiging van de vernietiging trachten filosoof Thom Hamer en rechtswetenschapper Judith Alkema dit hiaat te vullen door vernietiging te verbannen uit het eigendomsrechtelijk systeem.

 

Circulair vooruit

De hedendaagse economie wordt nog altijd gedomineerd door het lineaire productiesysteem: er worden materialen uit de aarde gewonnen om een product te maken dat, via de consument, uiteindelijk op de vuilnisbelt eindigt. Sinds het toonaangevende rapport Towards the Circular Economy van de Ellen MacArthur Foundation lijkt er echter een heuse omwenteling op til te zijn.[1] Bedrijven, burgers en overheden realiseren zich in toenemende mate dat het lineaire systeem fundamenteel onhoudbaar is.[2] De economie behoeft verduurzaming.

Wat zou zo’n essentiële verandering in de manier waarop we met producten omgaan, betekenen voor ons begrip van het concept eigendom?

Daarom werd het concept van een circulaire economie ontwikkeld. Hierin bestaat geen afval. Door kringlopen te sluiten (bijvoorbeeld middels hergebruik en recycling) kan afval weer grondstof worden in een virtueel oneindige productiecyclus. Zo ontspint zich een transitie van verbruik naar gebruik. Over deze transitie zou Thomas Rau zeggen: de circulaire economie betekent het einde van bezit. Wat zou zo’n essentiële verandering in de manier waarop we met producten omgaan, betekenen voor ons begrip van het concept eigendom?

 

Rechten gebundeld

In de rechtsfilosofische traditie zien filosofen eigendom dikwijls als een bundel van rechten (claimrechten, privileges, machten en immuniteiten). In deze bundel zitten rechten als het privilege van gebruik en de macht om te beheren, maar ook het recht op vernietiging.[3] Dat is opvallend, omdat de circulaire economie streeft naar een volledige uitbanning van vernietiging.[4] De crux van het eigendomsvraagstuk zit ‘m dus in het recht op vernietiging.

De huidige  economie is gestoeld op de ironische premisse dat destructie waarde creëert.

Het eeuwige leven

Wat fundeert het recht op vernietiging? Er zijn drie argumenten voor dit recht. Allereerst stellen voorstanders dat gebruik en vernietiging vaak onlosmakelijk verbonden zijn. Of iets nu direct verbruikt wordt (zoals benzine) of geleidelijk achteruitgaat in kwaliteit (zoals kleding): dingen vergaan. Zo meent Henry Sidgwick dat het in de praktijk niet haalbaar is om ergens gebruik van te maken zonder het te verbruiken.[5] [6]

 

Ten tweede is het recht op vernietiging cruciaal voor het functioneren van de markteconomie. De huidige (lineaire) economie is namelijk gestoeld op de ironische premisse dat destructie waarde creëert. Een nieuwe koelkast zou weinig tot niets waard zijn als eigenaren juridisch verplicht waren om producten ad infinitum te laten werken.[7] Als deze plicht niet bij de consument, maar bij de producent zou liggen, betekent dit dat de producent perfecte producten moet maken. De haalbaarheid van zo’n perfect product daargelaten, brengt perfectie een krimp van de markt teweeg: een producent die zijn producten het eeuwige leven geeft, verzadigt ook permanent de vraag.

 

Tot slot is het recht op vernietiging een privilege dat de autonomie van het individu bevordert. Het feit dat we onze bezittingen gewoon kapot kunnen laten gaan en deze vervolgens op de vuilnisbelt kunnen achterlaten, geeft ons immers veel vrijheid. Een verbod op vernietiging zou de vrijheid van eigenaren daarom drastisch inperken.

 

Het claimrecht der generaties

Toch is het recht op vernietiging een precair privilege in een wereld van schaarste. Vernietiging kan dan wel waardecreatie opleveren, maar op de lange termijn is vernietiging eerder waardecrematie. Huidige en toekomstige generaties hebben, vanwege noodzaak en schaarste, een claimrecht op de natuurlijke voorzieningen. Bovendien neemt de schaarste alleen maar toe met het beslag dat we als mensheid leggen op de ecologische houdbaarheid van de aarde. Daardoor wordt behoud van materialen en voorzieningen steeds urgenter van toekomstige generaties. Vanuit het claimrecht der generaties kunnen we, samen met de logische samenhang van rechten en plichten,[8] afleiden dat er geen privilege bestaat om te vernietigen. Een eigendomsrechtelijk systeem dat dit privilege hoog in het vaandel draagt, zou dus immoreel zijn.

Vernietiging kan dan wel waardecreatie opleveren, maar op de lange termijn is vernietiging eerder waardecrematie.

Idealiter zou het eigendomsrecht daarom meer usufruct zijn. Een ‘usufruct recht’ duidt op een omgangsvorm met eigendom waarbij mensen de vruchten – of, uitgedrukt in de taal van de circulaire economie: diensten – van het eigendom benutten zonder het eigendom zelf te vernietigen. Dat is duurzamer, maar zoals gezegd niet zonder moeilijkheden. Als we echter een systeem kunnen bedenken dat (1) tegemoetkomt aan het claimrecht der generaties, (2) gebruik weet te scheiden van verbruik en (3) de economische structuur van waardecreatie respecteert (4) zonder de individuele autonomie in het geding te brengen, dan hebben we een uiterst moreel eigendomssysteem.

 

Drie theorieën

Om een eigendomsconstructie te construeren die compatibel is met de circulaire economie, hebben we drie op zichzelf ontoereikende theorieën geïntegreerd: eigendom als usufructuariaat, eigendom in een product service system (PSS) en eigendom met een extended producer responsibility (EPR).[9]

 

Het usufructuariaat is de traditionele bundel van rechten, exclusief het recht op vernietiging. Het is een soort recht op vruchtgebruik, waar een plicht tot behoud in zit. Dat dit logisch noodzakelijk is, komt voort uit de onderlinge samenhang van privileges en plichten: wie het privilege heeft om een bepaalde handeling te verrichten, heeft geen plicht om die handeling niet te verrichten – en andersom. Zo leidt de afwezigheid van het privilege om een zaak te vernietigen tot de plicht om die zaak te behouden.

Behoud draait om de eeuwige circulatie van materialen – of dat nu via perfectie of via herstelbaarheid van producten geschiedt

Binnen het tweede systeem, het PSS, blijft de producent eigenaar van al zijn producten. Deze verkoopt een dienst aan consumenten, die geen eigenaar hoeven te zijn van het product dat verbonden is aan die dienst (denk bijvoorbeeld aan leasecontracten).

 

Ten slotte is er het EPR-systeem. Hierin hebben producenten een uitgebreide verantwoordelijkheid: producenten worden in de post-consumer fase weer verantwoordelijk voor het product en dus voor de verwerking ervan. Dit gaat gepaard met een soort toekomstig eigendomsrecht, waarbij producten die verkocht zijn, aan het einde van hun levensfase worden behandeld als zijnde geleaset. Zo blijven materialen veel vaker behouden.

 

Een alternatief: producentusufructuariaat

Het probleem met het ‘normale’ usufructuariaat is dat het de individuele autonomie schaadt, omdat het van consumenten eist om producten niet te vernietigen terwijl ze zelf niet de middelen hebben om gebruik te scheiden van verbruik. Een producent heeft die middelen wel – en dat is waarom de andere twee systemen in het leven zijn geroepen. In deze systemen houdt het recht op vernietiging echter stand, omdat de verantwoordelijkheid slechts ‘zorg dragen voor productbehoud’ behelst. Hierdoor kan duurzaamheid nog steeds omzeild worden. Daarom hebben we uit deze eigendomsrechtelijke voorstellen een eigen alternatief gecreëerd: het producentusufructuariaat (excuses voor de tongbreker).

 

Het producentusufructuariaat is een constructie die lijkt op het eerdergenoemde usufructuariaat: een traditionele bundel van rechten, exclusief het recht op vernietiging. Echter, in het recht zou dan worden vastgelegd dat zo’n constructie is voorbehouden aan producenten. Bij eigendomsoverdracht behoudt de producent zijn plicht tot behoud en verkrijgt de consument de traditionele bundel van rechten, inclusief het recht op vernietiging. Dit is geregeld in het zelfbedachte Burgerlijk Wetboek XI.

“De verantwoordelijkheid voor de consequenties van het handelen, die in het oude systeem bij de consument lag, ligt nu bij de producent.”

Dankzij deze constructie behoudt de consument zijn autonomie, omdat de plicht tot behoud bij de producent ligt en het recht op vernietiging in het eigendomsrecht van individuen noodzakelijkerwijs gewaarborgd blijft. Bovendien heeft een producent meer middelen om aan de plicht tot behoud te voldoen; zodoende kan hij gebruik van verbruik scheiden, bijvoorbeeld via leasecontracten of stimulantia voor de consument om verbruikte producten weer in te leveren bij de producent.

 

Nu resteren slechts de economische randvoorwaarden. Waarborgt het producentusufructuariaat de economische structuur van waardecreatie? Toegegeven, dit is enigszins problematisch, maar dat wil niet zeggen dat producenten perfecte producten moeten maken. Behoud draait namelijk om de eeuwige circulatie van materialen – of dat nu via perfectie of via herstelbaarheid van producten geschiedt. Bovendien is de markt in een circulaire economie niet gebaseerd op de afzet van producten, maar op die van diensten, waardoor de vraag niet per se verzadigd raakt. Middels lease- en soortgelijke contracten zijn er voldoende verdienmodellen denkbaar voor circulair ondernemen.

 

De vernietiging van de vernietiging

Concluderend kan ik het toekomstbeeld van circulair virtuoos Thomas Rau alleen maar beamen: “De verantwoordelijkheid voor de consequenties van het handelen, die in het oude systeem bij de consument lag, ligt nu bij de producent.”[10] Zulke consequenties, zoals vernietiging, kunnen we via juridische weg in de kiem smoren. Met de theorie van het producentusufructuariaat hebben we al een stap gezet richting een eigendomsrechtelijke fundering van de circulaire economie, zodat we een van de parasieten op duurzaamheid eindelijk kunnen vernietigen: de vernietiging.

 

Met dank aan redacteur Marleen Kristen, co-auteur Judith Alkema en eindredacteur Janne van Beek.

Referenties

[1] Ellen MacArthur Foundation (2015). Towards the Circular Economy I, p. 7.

[2] Zie voor het toenemende bewustzijn in Nederland: Rijksoverheid (2016). Nederland Circulair in 2030.

[3] L.B. Becker (1980). ‘The Moral Basis of Property Rights’, in J.W. Chapman (red.), Property, pp. 187-220.

[4] Wat we verstaan onder vernietiging: een in zekere zin onherroepelijke teloorgang van de functionaliteit van een product of materiaal, door actieve dan wel passieve oorzaak.

[5] H. Sidgwick (1897). The Elements of Politics. pp. 66-67.

[6] Ook voor voedsel geldt dat het praktisch onmogelijk is om het te consumeren zonder het te vernietigen. Mede om deze reden hebben we ons beperkt tot de behandeling van technische materialen: producten die zijn gemaakt van durabele nutriënten ongeschikt voor de biosfeer, zoals kunststoffen en metalen; zie Ellen MacArthur Foundation (2015). Towards the Circular Economy I, p. 7.

[7] L.J. Strahilevitz, (2003). ‘Right to Destroy’, pp. 71-72

[8] W.N. Hohfeld, (1919). Fundamental Legal Conceptions, W. Cook (red.).

[9] T. Hamer & J.G. Alkema (2016). De vernietiging van de vernietiging, pp. 33-34; E. Morey & D. Pacheco (2003). ‘Product Service Systems: Exploring the Potential for Economic and Environmental Efficiency’, p. 4; N. Sachs (2006). ‘Planning the funeral at the birth: Extended Producer Responsibility in the European Union and the United States’. Law Faculty Publications, Richmond School of Law.

[10] Thomas Rau (2015). ‘Het einde van bezit’, Tegenlicht. Geraadpleegd op 29 mei 2017.

Thom Hamer

Thom Hamer

Thom Hamer (1994) heeft in het afgelopen academiejaar, tussen zijn bachelor Liberal Arts & Sciences en een onderzoeksmaster Filosofie, een eenmanszaak opgericht die zich richt op schrijven en redigeren. Hierin schrijft hij onder meer over best practices in de circulaire economie. Ook zit hij sinds februari in het bestuur van De Focus. Zijn droom is om ooit een filosofische roman te voltooien – het begin is reeds gemaakt.