In 2016 introduceerde minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen het Convenant Duurzame Kleding en Textiel, ofwel textielconvenant, om ervoor te zorgen dat bedrijven de arbeidsomstandigheden in hun productielocaties verbeteren. Dit convenant is onderdeel van een bredere beweging voor meer duurzaamheid en staat niet op zichzelf. Toch lijkt men als burger anders te handelen dan als consument. Burgers zijn zich steeds meer bewust van de gevaren die onze producten leveren voor mens en milieu. In de supermarkt is bijna geen chocolade meer te vinden zonder duurzaamheidskeurmerk en een dagje geen vlees eten is tegenwoordig gemeengoed. Voor kleding geldt dit helaas nog niet. De textielindustrie heeft geen al te positief imago als het aankomt op onderwerpen als kinderarbeid, goede arbeidsomstandigheden en milieuvervuiling. Hoewel men dit als burger belangrijke zaken vindt, let men als consument bij het kopen van een kledingstuk eerst op aspecten als de kwaliteit, het model en de prijs. Duurzaamheid staat niet in de top drie.[1]

 

De afgelopen jaren vonden grote ongelukken plaats in de kledingsector, maar zelfs die hebben het gedrag van consumenten niet veranderd. Het meest bekende ongeluk is de instorting van de Rana Plaza fabriek in Bangladesh op 24 april 2013: meer dan duizend textielarbeiders kwamen hierbij om het leven. Tussen het puin werd kleding van onder andere Primark en Mango gevonden, geproduceerd tegen zo laag mogelijke kosten. Ook andere kledingfabrieken in onder meer India en Bangladesh stortten de afgelopen jaren in, met veel doden tot gevolg.[2] De Nederlandse politiek schrok wakker en wilde actie. Minister Ploumen startte daarop de convenantenaanpak en inmiddels bestaat het eerste convenant alweer drie jaar.

 

 

Afbeelding 1: Tussen het puin van Rana Plaza werd veel kleding van grote merken gevonden.

 

Het convenant als oplossing voor marktfalen
De politiek probeert vraagstukken die de vrije markt niet zelf oplost, zoals duurzaamheid, op te lossen met beleid. De economie bestaat uit vraag en aanbod, maar vanuit de vraagkant lijkt een stimulans om te verduurzamen dus te ontbreken. Het textielconvenant probeert deze verduurzaming daarom via afspraken aan de aanbodzijde te realiseren. In het eerste jaar sloot een derde van de sector zich aan, inmiddels doet de helft van de sector mee.[3] Bijna alle Nederlandse bedrijven in de kleding- en textielsector zijn inmiddels aangesloten. Een opmerkelijke prestatie, aangezien het convenant een resultaat was van onderhandelingen tussen verschillende partijen met uiteenlopende belangen, zoals de Rijksoverheid, bedrijven, en ngo’s. Inmiddels zijn ook in andere sectoren convenanten gestart, zoals in de financiële sector.

 

Het grote animo onder het bedrijfsleven om het convenant te ondertekenen is opvallend. In een peiling die tijdens de opstartfase van het convenant werd uitgevoerd bleek dat slechts 6 procent van de Nederlandse consumenten let op duurzaamheid bij het kopen van kleding. De markt voor duurzame kleding was dus klein. Toch bleek de belangstelling onder bedrijven om deel te nemen aan het convenant groot: meer dan 30 procent van de Nederlandse markt sloot zich direct aan toen het convenant werd ondertekend. Al deze bedrijven committeerden zich aan soms kostbare maatregelen om hun bedrijfsvoering te verduurzamen, terwijl de opbrengst gering was. Waarom hebben dan toch zoveel bedrijven zich bij het convenant aangesloten?

 

Bedrijven zien de relatie tussen deelname aan het convenant en hogere verkoopcijfers niet als vanzelfsprekend.

 

What’s in it for them?
Tijdens het schrijven van mijn Masterscriptie in 2017 zocht ik een antwoord op deze vraag door interviews met deelnemende bedrijven van het textielconvenant af te nemen. De interviews waren gericht op mogelijke beweegredenen voor bedrijven om te verduurzamen en zich aan te sluiten bij het convenant. Hieruit bleek dat een verwachte hogere consumentenvraag zeker meespeelt in de afweging van bedrijven om zich bij het textielconvenant aan te sluiten. [4] Bedrijven zien de relatie tussen deelname aan het convenant en hogere verkoopcijfers echter niet als vanzelfsprekend. Hoewel bedrijven in de toekomst wel potentie zien in het convenant als marketingtool waren ze hier ten tijde van het onderzoek nog niet van overtuigd. Bedrijven namen deel omdat ze willen verduurzamen, niet omdat het convenant tot hogere verkoopcijfers zou leiden.

 

De wens om te verduurzamen bleek dus een stuk intrinsieker te zijn dan aanvankelijk gedacht. Sommige bedrijven gaven zelfs aan dat zij de ambitie hadden om verder te verduurzamen dan het convenant van hen vraagt, onder andere door een meer circulaire bedrijfsvoering. Op dezelfde manier dat consumenten ondanks hogere kosten toch hun gedrag verduurzamen, lijken deze bedrijven dit dus ook te doen.

 

Daarnaast vinden bedrijven het waardevol om samen met veel andere bedrijven tegelijk naar dezelfde doelen toe te werken. Zo kunnen zij best practices delen en samenwerken als dat nodig is. Dit biedt mogelijkheden voor bedrijven die wel willen verduurzamen maar nog niet over de juiste kennis beschikken. Bedrijven lijken dus wel degelijk andere beweegredenen te hebben om zich bij het convenant aan te sluiten dan een bedrijfseconomische kosten-batenanalyse. Het convenant is daarbij een nuttig middel om bedrijven die willen verduurzamen over de streep te trekken.

 

Hoewel men als burger duurzame kleding belangrijk vindt, laat men als consument iets anders zien.

 

Hoe nu verder?
Het feit dat veel bedrijven zich hebben aangesloten bij het convenant en dat er inmiddels ook al in andere sectoren convenanten zijn afgesloten toont in ieder geval aan dat een groot deel van de markt aan de aanbodzijde klaar is om te verduurzamen. Door de beperkte consumentenvraag is echter nog niet de gehele markt duurzaam. Twee ontwikkelingen kunnen wel tot die omslag leiden.

 

Een eerste mogelijkheid is strengere regelgeving vanuit de overheid. In 2019 zal de Rijksoverheid de convenantenaanpak evalueren.[5] Dan zal blijken of de kledingproductie ook echt is verduurzaamd. Als dit niet het geval is, overweegt de politiek om normen in wetgeving te verankeren. Toch blijft financieel rendement voor bedrijven vaak leidend. Om duurzame kleding gemeengoed te maken zal daarom de voorkeur van de consument toch echt moeten veranderen. Hoewel men als burger duurzame kleding belangrijk vindt, laat men als consument iets anders zien. Hopelijk komen burger en consument in de toekomst wat dichter bij elkaar.

 

Redacteur: Mirjam Turk

 

Referenties

[1] GFK. “Nederlandse consument is nog geen voorloper op het gebied van duurzame kleding.” (8 januari 2016) https://www.gfk.com/nl/insights/news/nederlandse-consument-is-nog-geen-voorloper-op-het-gebied-van-duurzame-kledingconsumptie/
[2] Nieuwsuur. “Een jaar na Rana Plaza Bangladesh.” (22 april 2014) https://nos.nl/nieuwsuur/video/639045-een-jaar-na-rana-plaza-bangladesh.html
[3] SER. “Jaarrapportage CDKT.” https://publicaties.imvoconvenanten.nl/kleding-textiel-2018/voorwoord
[4] “Passion for Sustainable Fashion.” Wouter Kuin, 2017.
[5] Kaag, Sigrid. “Kamerbrief: voortgang IMVO-beleid.” Rijksoverheid, 13 november 2018. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/11/13/kamerbrief-over-voortgang-imvo-beleid

 

Afbeeldingen

Afbeelding 1: Kledinglabel tussen het puin van Rana Plaza in Bangladesh.  https://www.flickr.com/photos/129414503@N08/16279091535

Wouter Kuin

Wouter Kuin

Wouter Kuin (1992) groeide op in Schiedam en studeerde Internationale Betrekkingen (Groningen) en Economics and Governance (Leiden). Na zijn afstuderen heeft Wouter het financial traineeship van de Rijksoverheid doorlopen. Sinds september 2018 werkt hij bij de Directie Economische Beleidsadvisering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij zich onder andere bezighoudt met het snijvlak van hulp en handel.