In januari 2016 werd in de Sociaal-Economische Raad het advies ‘Gelijk goed van start’ vastgesteld. In dit advies schetst de Raad haar visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen. Dit advies is onderdeel van het grotere advies ‘Een werkende combinatie,’ over het combineren van werken, leren en zorgen in de toekomst dat in oktober 2016 werd vastgesteld. Dit opiniestuk werd geschreven naar aanleiding van desbetreffende adviezen en is er op gericht het belang van kinderopvanggebruik onder de aandacht te brengen.

Kinderopvang: voor veel van mijn leeftijdsgenoten een burgerlijk onderwerp en een ver van hun bed show, voor ouders met oudere kinderen allang niet meer relevant. Toch is goede kinderopvang veel belangrijker dan je misschien zou denken. In dit opiniestuk wordt uiteengezet waarom het van belang is om te investeren in de zogenaamde kindvoorzieningen* en waarom het onderwerp een stuk minder suf is dan het op het eerste gezicht lijkt.

 

Kinderopvang: voor velen een ver van hun bed show

De sector kinderopvang heeft jarenlang onzekerheid gekend. De economische crisis en het daarmee gepaard gaande ‘jojo-beleid’ van de overheid werkten bezuinigingen in de hand en veroorzaakten onrust bij jonge ouders. [1] Ouders maakten veel minder gebruik van kindvoorzieningen en kinderen werden vaker ondergebracht bij opa’s, oma’s en buren. [2] ‘Daar kunnen ze toch ook lekker spelen,’ is vaak de gedachte. [3] Deze redenering is echter niet steekhoudend: kinderen hebben veel meer baat bij een speciaal voor hen ingerichte voorziening. Daarom is het dan ook noodzakelijk om meer te investeren in voorzieningen voor jonge kinderen.

 

Voor een goed begrip van de waarde van kindvoorzieningen is het belangrijk bekend te zijn met de ontwikkelingen die zich de afgelopen decennia hebben voorgedaan. Vanaf 1990 zijn kindvoorzieningen in ons land geleidelijk uitgebreid. [4] Daarbij lag de nadruk vooral op het vergroten van het aantal beschikbare plaatsen: het aantal plaatsen is vandaag de dag verzesvoudigd. [5] Vanaf 2000 ontstond ook aandacht voor een achterstandsaanpak en deed de voor- en vroegschoolse educatie (vve) zijn intrede. [6] Deze voorziening is gericht op het verminderen van taal- en ontwikkelingsachterstanden bij kinderen uit kansarme milieus. De overheid heeft zich dus jarenlang gericht op het uitbreiden van kindvoorzieningen en het verminderen van achterstanden, maar sinds de economische crisis, 2011 om precies te zijn, zijn de collectieve uitgaven voor kindvoorzieningen aanzienlijk teruggebracht en is de eigen bijdrage voor ouders gestegen. De trend van de uitgaven aan kinderopvang weerspiegelt zich in de cijfers van het gebruik ervan. [7] Ook deze stegen tot 2011 sterk om daarna aanzienlijk te dalen, hetgeen suggereert dat de hogere kosten voor ouders een reden zijn om af te zien van kinderopvang. En dat is nou juist waar het probleem zit.

 

kinderen hebben veel meer baat bij een speciaal voor hen ingerichte voorziening.

De overheid richt zich met kindvoorzieningen op drie doelen: het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van achterstanden en het stimuleren van de arbeidsparticipatie van vrouwen. [8] Uit verschillende onderzoeken blijkt dat kindvoorzieningen, mits van goede kwaliteit, een grote bijdrage leveren aan de ontwikkeling van jonge kinderen. [9] Zo scoren kinderen die op een opvang hebben gezeten beter op zowel cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden, blijven ze minder vaak zitten op school, verdienen ze later meer en vertonen ze minder vaak crimineel gedrag. [10] Ook helpen kindvoorzieningen ontwikkelingsachterstanden te verkleinen en vergroten ze daarmee de sociale mobiliteit van kinderen uit kansarme milieus. Het blijkt bijvoorbeeld dat kinderen met lager opgeleide ouders of ouders met een taalachterstand nog meer profiteren van de positieve ontwikkelingseffecten van kindvoorzieningen dan kinderen zonder achterstand. [11] Met het oog op de recentelijk vergrote asielzoekersinstroom is dit ook een belangrijk argument: het is goed mogelijk dat kinderen van asielzoekers een taalachterstand hebben. Tot slot worden kindvoorzieningen vaak aangehaald als middel om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen. De literatuur laat echter geen eenduidig beeld zien hierin: sommige studies suggereren dat wanneer de kosten van kindvoorzieningen dalen, de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt, andere studies vinden geen effect. [12]

 

Kinderen, ouders en de maatschappij als geheel kunnen profiteren van de gunstige effecten van kindvoorzieningen.

Dat de daling in het gebruik van kinderopvang een ongewenste zaak is, mag duidelijk zijn. Daarom is het van belang dat alle kinderen er gebruik van kunnen maken en dat financiële kwesties geen struikelblok vormen. Er zit echter één grote ‘maar’ aan dit verhaal. De hierboven beschreven positieve effecten die kindvoorzieningen teweegbrengen, doen zich alleen voor wanneer de voorzieningen van goede kwaliteit zijn. Helaas is dit in Nederland nog niet het geval. [13] Naast het feit dat kindvoorzieningen toegankelijker moeten zijn, dient er dus ook geïnvesteerd te worden in de kwaliteit van de voorzieningen. Dit kan bewerkstelligd worden door de continuïteit en stabiliteit binnen kindvoorzieningen te stimuleren en ouders meer bij de voorzieningen te betrekken. [14] Alleen zo kunnen kinderen, ouders en de maatschappij als geheel profiteren van de gunstige effecten van kindvoorzieningen.

 

Concluderend kan gesteld worden dat de positieve effecten van kindvoorzieningen niet te miskennen zijn. Kinderen en hun ouders hebben er baat bij, maar ook de maatschappij als geheel profiteert van bijvoorbeeld de positieve effecten op het verdienvermogen en de kleinere kans om crimineel gedrag te vertonen. Op dit moment wordt er helaas niet optimaal gebruik gemaakt van het potentieel van kindvoorzieningen, maar investeringen kunnen dit bewerkstelligen. Concreet moeten er dan twee dingen gebeuren: de kwaliteit van kindvoorzieningen moet worden verbeterd en voorzieningen moeten financieel toegankelijk worden voor alle ouders. Pas dan kunnen we profiteren van de verreikende voordelen die kindvoorzieningen te bieden hebben. Kinderen zijn de toekomst, maar wie zegt dat we de toekomst niet een handje mogen helpen?

 

* verzamelnaam voor kinderopvang, peuterspeelzalen en gastouders.

 

Redactie: Jennifer Kerkman

 

Referenties

Akgünduz, Y. E. & Plantenga, J. (2015). Childcare Prices and Maternal Employment: A Meta-Analysis. Tjalling C. Kopmans Research Institute, Discussion Papers Series 15-14.

Netwerkbureau Uitbreiding Kinderopvang (2003) Monitor Uitbreiding Kinderopvang.

OECD (2006). Starting Strong II: Early Childhood Education and Care. Paris: OECD Publishing.

OECD (2012). Starting Strong III: A Quality Toolbox for Early Childhood Education and Care. Paris: OECD Publishing.

Schnell, P. & Crul, M (2015). Inclusive education for children of immigrants, in: J. Szalai & C. Schiff (eds), Migrant, Roma and Post-Colonial Youth across Europe: Being Visibly Different, pp. 34-50, Basingstoke: Palgrave Macmillan.

Sociaal Cultureel Planbureau (2014). Krimp in de kinderopvang. Den Haag: SCP.

Sociaal-Economische Raad (2016). Gelijk goed van start: visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen. Den Haag: SER.

Sociaal-Economische Raad (2016). Een werkende combinatie: Advies over het combineren van werken leren en zorgen in de toekomst. Den Haag: SER.

UNICEF (2008). The Childcare Transition: A league table of early childhood education and care in economically advanced countries. Florence: UNICEF Innocenti Research Centre.

Veen, A. & Leseman, P (2015). Pre-cool: Cohort Onderzoek. Resultaten over de voorschoolse periode. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

 

[1] SCP (2014) Krimp in de kinderopvang.

[2] SCP (2014) Krimp in de kinderopvang.

[3] SCP (2014) Krimp in de kinderopvang.

[4] SER (2016) Gelijk goed van start.

[5] Netwerkbureau Uitbreiding Kinderopvang (2003) Monitor Uitbreiding Kinderopvang.

[6] SER (2016) Gelijk goed van start.

[7] SCP (2014) Krimp in de kinderopvang.

[8] SER (2016) Gelijk goed van start.

[9] SER (2016) Gelijk goed van start.

[10] OECD (2006) Starting Strong II; OECD (2012) Starting Strong III; UNICEF (2008) The Childcare Transition.

[11] Schnell & Crul (2015) Inclusive education for children of immigrants; Veen & Leseman (2015) Pre-cool: Cohort Onderzoek.

[12] Akgünduz & Plantenga (2015) Childcare Prices and Maternal Employment.

[13]  Veen & Leseman (2015) Pre-cool: Cohort Onderzoek.

[14] SER (2016) Gelijk goed van start.

Emma Cuperus

Emma Cuperus

Emma Cuperus is 23 jaar en studeert sociologie en rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. Vorig jaar liep ze stage bij de Sociaal Economische Raad waar ze heeft meegeholpen aan het advies ‘Gelijk goed van start.’ Een leuke en leerzame stageplek waar ze als student nu eens écht meemaakte welke verschillende belangen er allemaal komen kijken bij het maken van een beleidsadvies. Na haar stage wilde ze meer weten over beleid en is ze de minor bestuurs- en organisatiewetenschappen gaan doen. Dit opiniestuk heeft ze tijdens deze minor voor het vak Bestuur en Beleid geschreven.