In een fair trade T-shirt van biologisch katoen schoffelt de eeuwig pas-afgestudeerde Bo de aarde van zijn stadsbalkonmoestuintje. Snel zet hij nog zijn tiradeblog over het De Wereld Draait Door Pop-up Museum online met zijn iPhone, voordat hij zijn tentje pakt om samen met zijn mede-occupiers vreedzaam te protesteren tegen alles waar hij tegen is. Of je Bo nu een hipster, proto-hipster, generatie Y, millennial of zelfs smurf wil noemen, dat doet er niet toe. De fictieve Bo heeft eigenschappen die iedereen herkent: of het nu is bij je vrienden, je vijanden of jezelf.
 
Bo leeft zijn volwassen leven in een wereld gekenmerkt door drie grote crises. De economische crisis bracht de werkgelegenheid een flinke knauw toe; ijskappen smelten weg door de ecologische crisis en de crisis in de geopolitiek betekent de afbrokkeling van de Westerse heerschappij over de rest van de wereld. The world needs saving, maar alles wat Bo doet is, ongeacht zijn goede bedoelingen, mondjesmaat. Welkom in de metamoderne 21e eeuw.
 

De fictieve Bo heeft eigenschappen die iedereen herkent: of het nu is bij je vrienden, je vijanden of jezelf.

Onverschillig enthousiasme in tijden van crisis

Dat het personage Bo een gevoel van herkenning oproept, komt door de zogenaamde structure of feeling. Dit is een zekere overtuiging en houding die veel mensen delen en waar ze zich bewust van zijn, maar die niet in eenduidige termen omschreven kan worden. Een ervaringsstructuur staat aan de basis van een cultuur, in dit geval de Westerse, en bestaat uit vele sentimenten die zich uiten in bepaalde trends. Bo bekommert zich om het milieu en om oneerlijke werkverhoudingen dus draagt hij een fair trade T-shirt van biologisch katoen. De trends die voortkomen uit die sentimenten zijn in alle lagen en sectoren van de samenleving terug te vinden: van de politiek en het onderwijs tot aan het zakenleven en het De Wereld Draait Door Pop-up Museum, maar daarover later meer.
 

Een ervaringsstructuur staat aan de basis van een cultuur, in dit geval de Westerse, en bestaat uit vele sentimenten die zich uiten in bepaalde trends.

 
Volgens cultuurtheoretici Timotheus Vermeulen en Robin van den Akker ontwikkelt zich sinds de laatste millenniumwisseling een nieuwe ervaringsstructuur die zij het metamodernisme noemen. Het metamodernisme openbaart zich in de manieren waarop de samenleving, in het bijzonder de generatie geboren in de jaren 80 en 90, op de drie grote crises reageert. Die reacties worden gefaciliteerd en beïnvloed door de aanhoudende technologische ontwikkeling met in het bijzonder het internet. Eveneens is de generatie die met deze technologie is opgegroeid en er dus adequaat mee om kan gaan inmiddels volwassen. In principe is de 21e eeuw in een eenvoudige rekensom samen te vatten: crises die oplossingen en hervormingen vragen + de ruime aanwezigheid van technologie die deze hervormingen in gang kan zetten + een volwassen generatie die deze technologie kan benutten = het metamodernisme.
 
De mogelijkheid tot hervormen brengt een enthousiasme en geloof in vooruitgang met zich mee. Deze sentimenten herinneren aan de moderne ervaringsstructuur aan het begin van de vorige eeuw, maar tegelijkertijd zijn de ironie, melancholie en apathie van het postmodernisme, dat vanaf de jaren 60 om zich heen greep, diepgeworteld in de samenleving. Het metamodernisme is dan ook een getransformeerde voortzetting van het postmodernisme waarin moderne en andere verleden sentimenten weer de kop opsteken, maar zonder te regeren. Uit het biologische koopgedrag van Bo blijkt een modernistisch aandoend enthousiasme om het milieu te steunen, maar tegelijkertijd gelooft hij postmodernistisch genoeg niet dat dit de wereld zal redden.
 

Crises die oplossingen en hervormingen vragen + de ruime aanwezigheid van technologie die deze hervormingen in gang kan zetten + een volwassen generatie die deze technologie kan benutten = het metamodernisme.

 
De net niet subjectieve blockbuster

Occupy, bloggen, stadsbalkonmoestuintjes, fair trade T-shirts en technologie; er zijn al wat metamoderne trends de revue gepasseerd. Ook in de museumwereld zijn metamoderne trends aan te wijzen zoals bijvoorbeeld het De Wereld Draait Door Pop-up Museum. Het Allard Pierson Museum Amsterdam, 2015: tien bekende tafelgasten van het populaire actualiteitenprogramma stellen elk een tentoonstelling samen uit de collectie van een Nederlands museum. Wat betreft concept en periodisering kan het pop-upmuseum als metamodern worden beschouwd. Het project sloot immers naadloos aan bij het nationale cultuurbeleid dat op haar beurt weer een reactie is op de crises die de huidige ervaringsstructuur kenmerken. Samenwerking tussen musea en commerciële partijen, het aanspreken van nieuw publiek en het ontsluiten van Collectie Nederland; het zijn allemaal speerpunten van minister Bussemaker die door het DWDD Pop-up Museum werden afgevinkt.
 
Critici deden het project af als een populistische blockbuster die niet in dienst zou staan van de kunst maar van de kas van het museum. Tegenwoordig wordt het concept van de blockbuster-tentoonstelling beschouwd als het meest kenmerkende product van de postmoderne commercialisering van de museumsector. Het pop-upmuseum voldeed met zijn korte duur, vele bruiklenen, enorme publiciteit, groot publieksbereik en bekende kunstenaars inderdaad aan de kenmerken van een postmoderne blockbuster. Daar staat tegenover dat niet de tentoongestelde kunstenaars maar de gastcuratoren bekendheid bezaten en er geen particuliere sponsoren in het spel waren. Bovendien zijn bruiklenen, net als publieksbereik, tegenwoordig een subsidievoorwaarde en is een korte tentoonstellingsduur inmiddels de standaard. De postmoderne band van het museum met commercie heeft in de 21e eeuw een andere vorm en, zo zal nog blijken, een nieuw doel gekregen.
 
De metamoderne innovatie van het DWDD Pop-up Museum lag in de subjectiviteit die de amateurgastcurator toevoegde aan het postmoderne blockbusterformat. In de moderniteit vertrouwde men nog op de kracht van het individu, maar postmoderne denkers verklaarden het authentieke subject dood na de ontdekking dat het individu niet meer was dan een sociale constructie. Desondanks deed het pop-upmuseum met de amateurgastcurator opnieuw een gooi naar deze moderne individualiteit. Niet geheel onverwacht verviel het overgrote deel van de minitentoonstellingen in clichématige thema’s met weinig diepgang. Een ander deel werd ingefluisterd door museumdirecteuren. De amateurgastcurator kwam en zag, maar overwon, net als Bo met zijn fair trade T-shirt, (net) niet.
 

De metamoderne innovatie van het DWDD Pop-up Museum lag in de subjectiviteit die de amateurgastcurator toevoegde aan het postmoderne blockbusterformat.

 
Het pop-upmuseum nam het postmoderne toonbeeld van commercie aan, namelijk de blockbuster, en voegde daar moderne subjectiviteit aan toe. Juist omdat dit na de postmoderne dood van het subject niet meer is te verwezenlijken, transformeerde een voorheen postmodern fenomeen tot een metamoderne trend.

 

De democratisering van betekenisgeving

Aan elke metamoderne trend ligt een metamodern sentiment ten grondslag; zo ook bij het DWDD Pop-up Museum. Door amateurgastcuratoren uit te nodigen, gaf het pop-upmuseum het gezag over de betekenisgeving van museale objecten uit handen. De amateurgastcuratoren maakten geen tentoonstellingen die iedereen aanspraken, het beste of het mooiste toonden. Ze waren niet verplicht tot culturele, kunsthistorische of maatschappelijke relevantie. Subjectiviteit werd een middel om aan de bezoeker te laten zien dat de vroegere autoriteit steeds meer wordt losgelaten. In deze metamoderne tijden van crisis is dit een logische reactie van het museum. Als zowel de overheid als de burger het museum in twijfel trekt, moet het zijn bestaansrecht legitimeren. Of dat nu net zo ineffectief blijkt als Bo en zijn fair trade T-shirt? Dat zullen de crises ons leren.

 

Referenties

Prior, N. ‘Postmodern Restructurings.’In A Companion to Museum Studies. Macdonald, S. (ed.) Oxford, Blackwell Publishing, 2006: pp. 509-524

Barker, E. ‘Exhibiting the canon: the blockbuster show.’ In: Contemporary Cultures of Display, E. Barker (red.) New Haven & Londen: Yale University press. 1999. pp. 127 – 146

Jameson, F. Postmodernism or, The Cultural Logic of Late Capitalism. Durham: Duke University Press, 1991

Jameson, F. The cultural turn: selected writings on the postmodern, 1983-1898. Londen [etc.]: Verso, 1998

Museumbrief: Samen werken, samen sterker. Den Haag: Ministerie van OCW, 10 juni 2013

Vermeulen, T., R. van den Akker, ‘Notes on metamodernism.’Journal of Aesthetics & Culture, Vol.2 (2010)

Beschikbaar op: <http://www.aestheticsandculture.net/index.php/jac/article/view/5677>

Meer leesvoer over het metamodernisme? Kijk op www.metamodernism.com

 

Foto door Monique Kooijmans.

 

Julie Meesterburrie

Julie Meesterburrie

Julie Meesterburrie studeerde Museumstudies aan de Universiteit van Amsterdam. In het kader van deze master schreef ze haar scriptie over het metamodernisme en trends in de museumwereld. Naast (misschien wel eeuwig) solliciteren, schrijft ze voor CLEEFT en werkt ze aan een artikel voor metamodernism.com