Rendementsdenken.

Er is niets nieuws aan de term ‘rendementsdenken’. Het is terug te vinden in meerdere archieven van verschillende periodes in de Nederlandse geschiedenis. Een hele precieze definitie ervan is niet voor handen, maar het omhelst altijd een idee van kwantiteit boven kwaliteit. Het is een begrip dat door politici en critici van allerhande politieke en maatschappelijke fenomenen wordt gescandeerd wanneer er teveel wordt gekeken naar rendement op papier en te weinig naar de burger. Doorgaans betekent het dat wanneer de term rendementsdenken populair is, er een vorm van moreel verval speelt dat de gemoederen in het land bezig houdt. Zo ook nu. De term is populair, omdat het ons wijst op een fundamenteel probleem qua mentaliteit die terug te vinden is in alle sectoren van de arbeidsmarkt: excessief calculerend gedrag, waarin het streven naar groei tot doel is verheven en waarbinnen niet of nauwelijks ruimte is voor moraliteit en burgerschap.

 

Dit gedrag is een logisch gevolg is van ons ver geavanceerde kapitalistische gedachtegoed, waaraan we veel van onze welvaart te danken hebben. Maar tegelijkertijd maakt het de weg vrij voor onwenselijk en soms misdadig handelen, waarvan de gevolgen afhankelijk van de hoeveelheid macht van de handelende persoon desastreus kunnen zijn.

 

De term is populair, omdat het ons wijst op een fundamenteel probleem qua mentaliteit die terug te vinden is in alle sectoren van de arbeidsmarkt: excessief calculerend gedrag, waarin het streven naar groei tot doel is verheven en waarbinnen niet of nauwelijks ruimte is voor moraliteit en burgerschap.

 

 

Schuldbewustzijn

 

Op kleine schaal kan men zien dat de winkelmedewerker van de Bijenkorf ‘after-sales’ tegenwoordig als prioriteit heeft, in plaats van het verlenen van goede service met als doel een tevreden klant. Maar hetzelfde rendementsdenken toegepast op grote schaal resulteert in handelen met veel grotere gevolgen. Shell slaat talloze kritische veroordelingen gefundeerd op de wetenschap in de wind en plaatst binnenkort het massieve, intens-gelobbyde boorplatform bij Antarctica. En nergens is er zoveel geld bij gemoeid als bij het rendementsdenken dat zorgt voor de fiasco’s binnen de financiële sector. Schandaal na schandaal haalt de voorpagina’s, miljardenbanken moeten met belastinggeld overeind worden gehouden. Zelfs landen dreigen failliet te gaan door het onethische, geldbeluste beleid binnen het bedrijfsleven waardoor leningen worden verstrekt die waarschijnlijk nooit terugbetaald kunnen worden door de debiteuren. De verstrekkers van de leningen opereren binnen de grenzen van de wet, en zij claimen doorgaans dat hen daardoor niets valt aan te rekenen.

 

 Zelfs hele landen dreigen failliet te gaan door het onethische, geldbeluste beleid binnen het bedrijfsleven waardoor leningen worden verstrekt die waarschijnlijk nooit terugbetaald kunnen worden door de debiteuren.

 

In zijn boek ‘Dit kan niet waar zijn’ (2015) gaat Luyendijk op zoek naar een antwoord op de vraag hoe de mensen die werken in de financiële sector, en dus als het ware functionarissen zijn binnen het systeem dat de afgelopen jaren voor zoveel schade heeft gezorgd, met de kwestie van schuld door het resultaat van hun arbeid om gaan. Zijn expeditie door de Londense City, het financiële centrum van de wereld, leidde hem naar een trieste eindbestemming: van schuldbewustheid onder bankiers is niet of nauwelijks sprake, bij de kleine noch de grote spelers. Moreel besef wordt opgeschort, omdat het een vreemd concept is binnen de huidige cultuur onder bestuurders en managers: ABN Amro werd in 2008 voor 21,8 miljard euro aan belastinggeld is genationaliseerd en is nog steeds in bezit van de staat. Maar ondanks dat lijkt het toekennen van een ton aan extra salaris voor zes van de zeven bestuursleden van de ABN Amro bank voor geen van de ontvangers maatschappelijk problematisch. De loonsverhoging van ongeveer 15% wordt door bestuurders Gerrit Zalm en Rik van Slingelandt omschreven als ‘keurig binnen de wet’ en louter ‘het nakomen van afspraken’. De algemene norm voor fatsoen schittert hier in afwezigheid, robotachtig gedemonstreerd door het ontbreken van enige vorm van erkenning dat op zijn minst de timing van deze plannen matig is. Zo zijn er talloze voorbeelden, niet gelimiteerd tot de Limburgse politiek (dhr. Van Rey), de zorg (dhr. Blom) of het vastgoed (dhr. Staal), waarin bestuurders zonder enige blijk van spijt of een anderzijds ethisch-kritische houding immoreel en soms zelfs crimineel gedrag vertonen.

 

Ontoereikend onderwijs

 

De vraag is hoe dit mogelijk is. Daphne Braal is directrice van Centraal Fonds Volkshuisvesting dat, toezicht houdt op de financiële situatie en risico’s van woningbouwcorporaties. Zij stelt, naar aanleiding van het miljoenenschandaal rond topman Erik Staal van Vestia, dat het fonds te weinig bevoegdheden heeft om haar taak adequaat te kunnen uitvoeren. In deze kritiek schuilt een duidelijke opvatting: het probleem van onethisch handelende hoge functionarissen kan opgelost worden door het panopticum van commissies, adviseurs en toezichthouders te verbeteren. Maar deze aanpak speelt een toename in bureaucratie volledig in de hand – een ontwikkeling waar veel mensen allergisch voor zijn vanwege de kosten en de inefficiëntie op nationale schaal ervan. Daarnaast gaat het ook voorbij aan het aloude axioma dat voorkomen beter is dan genezen. De afwezigheid van toezicht en adequate wetten om dit gedrag aan banden te leggen is geen oorzaak maar een katalysator van het probleem.

 

Een suggestie van waar de oorzaak ligt werd in de lente van 2015 gewekt: maanden was het chaos op de Universiteit van Amsterdam. er heerste grote onvrede onder een aanzienlijke groep studenten en docenten omdat beslissingen van het bestuur van de universiteit meer en meer genomen worden zonder de positie van eerder genoemde groep in beschouwing te nemen. Volgens hen zou het College van Bestuur zich laten leiden door opnieuw een vorm van rendementsdenken. De prioriteit van de instelling zou zijn om koste wat kost zoveel mogelijk winst en goede reputatie te creëren, zonder daarbij te kijken naar de kwaliteit van het onderwijs en de wensen van de uitvoerders en de mensen onderhevig aan datzelfde onderwijs. Het rendementsdenken heeft hiermee  de ultieme voedingsbodem van ambities en carrières aangetast, omdat het zich nu ook gemanifesteerd heeft binnen het onderwijs. De producten van deze voedingsbodem zijn de mensen die uiteindelijk functies met macht gaan bekleden.

 

Het vermogen tot morele reflectie wordt al sinds de oudheid actief onderwezen, en het belang hiervan werd in 2003 door de Nederlandse Onderwijsraad opnieuw bevestigd: in het rapport dat de raad toen opstelde werd geadviseerd om ‘burgerschapsvorming een steviger steun in de rug te geven dan tot nu toe gebeurt’, omdat ‘de analyse van het onderzoeksmateriaal in een aantal gevallen voorzichtig aantoont dat aandacht voor burgerschapsvorming in het onderwijs effect heeft’. Burgerschapsvorming wordt gedefinieerd als ‘het zelfstandig verantwoordelijkheid nemen […] voor gemeenschapsbelangen.’ Europa staat in een liberale traditie wat betreft burgerschap, dat wordt gedefinieerd in termen van de rechten van het individu. Het is een traditie ingezet door de Verlichtingsdenkers van de zeventiende eeuw, wiens theorieën de weg hebben vrijgemaakt voor de modernisering van de samenleving en de opkomst van het kapitalisme en secularisme. Ongetwijfeld zeer goede ontwikkelingen vanuit een humanistisch perspectief bekeken, maar niet onproblematisch: tegenwoordig wordt men bijgebracht kritisch te zijn en autonoom standpunten te kunnen vormen, maar zolang deze vaardigheden niet vergezeld worden met normen en waarden die maatschappelijk bewustzijn ten goede komen, kunnen zij ‘individualisme en calculerend gedrag’ als gevolg hebben. En dit zijn precies kenmerken geassocieerd met het rendementsdenken: gedurende het proces van beleids- en besluitvorming wordt nagenoeg slechts gekeken naar wat mogelijk is binnen de grenzen van de wet, met als doel alleen het maximaliseren van groei en winst. Motieven als burgerschap of ethiek worden, zowel in het bedrijfsleven als in de publieke sector, eerder als hinder gezien dan als leidraad. De ruimte voor deze destructieve attitude wordt gegeven, of in ieder geval niet ingeperkt, door het onderwijssysteem: zij probeert burgers namelijk te vormen tot autonome en kritische burgers, maar dit betekent ook dat zij daarin alle vrijheid krijgen daar zelf hun interpretatie van wenselijk gedrag aan te geven. De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), een instantie die de overheid ondersteunt en adviseert, bevestigt de risicovolle strategie van het Nederlandse onderwijs wat betreft morele vorming: ‘Burgerschapsvorming brengt de basiskennis, vaardigheden en houding bij die nodig zijn om een actieve rol te kunnen spelen in de eigen leefomgeving en in de samenleving. (…) Burgerschapsvorming is niet bedoeld om brave burgers voort te brengen.’

 

Het rendementsdenken heeft hiermee  de ultieme voedingsbodem van ambities en carrières aangetast, omdat het zich nu ook gemanifesteerd heeft binnen het onderwijs.

 

Bewapening

 

In het huidige onderwijssysteem, waar onze generatie door gevormd is, wordt mensen volgens het wettelijke kader bijgebracht een kritische houding aan te nemen jegens de democratie, normen en waarden in het algemeen, en daar hun eigen standpunten in te kunnen vormen. Maar een (positieve) richting aan deze kritiek wordt niet gegeven: die moet blijkbaar uit andere hoeken komen, wellicht van opvoeders, maar hierover laat het onderwijsrapport zich niet uit. Dit is problematisch, omdat elke generatie van scholieren bestaat uit talloze toekomstige ouders, zodat de kans groot is dat zij dit hun kinderen niet bijbrengen omdat zij dit zelf niet geleerd hebben. Zonder een stimulans om het goede te doen voor mens, maatschappij of natuur, en dus zonder adequate bescherming tegen het corrumperende karakter van het dominante kapitalistische gedachtegoed in het bedrijfsleven, verkeren we in een vicieus systeem waarin ons vermogen tot morele reflectie slechts wordt toegepast in het hoog ommuurde Colosseum van groei, rendement, en winst, met alle funeste gevolgen van dien. Het onderwijs draagt de verantwoordelijkheid om dit tij te keren, en om bewapening tegen calculerend en individualistisch gedrag te bewerkstelligen.

Mike Verleum

Mike Verleum

Ondanks dat zijn hart van jongs af aan al uitgaat naar alles wat bèta is, koos Mike toch voor het pad van de twijfel in de vorm van een studie Wijsbegeerte. Nu gaat zijn interesse vooral uit naar nieuwe ontwikkelingen binnen de (biomedische) wetenschap, met name op het vlak van de genetica. Hij zou graag als ethicus een brug willen slaan tussen de politiek, de maatschappij en deze nieuwe ontwikkelingen, teneinde bij te dragen aan een wereld die vitaler en rechtvaardiger is.