“Het is een bijzonder en belangrijk moment in onze parlementaire geschiedenis, namelijk dat we een vlag in de zaal hebben.” De komst van de vlag was een voorstel van SGP-leider Van der Staaij en PVV-leider Wilders. Zij vinden dat de vlag “een mooie en duidelijke functie heeft als symbool van de natie.” [1]

 
Op 14 november 2017 wordt een motie aangenomen: de Nederlandse vlag wordt in de Tweede Kamer geplaatst. Hoewel dit in verschillende landen gebruikelijk is, is dit de eerste keer dat er een vlag wordt gehesen in Nederlandse overheidsgebouwen. Het voorstel van Jesse Klaver om hiernaast een Europese vlag te plaatsen, wordt echter snel verworpen. Deze gebeurtenis staat niet op zichzelf maar valt te plaatsen binnen een groeiende herwaardering van de nationale identiteit, een onderwerp dat al aanwezig was tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 2017. Waar de overheid nu overwegend kritisch is op Europese integratie en pleit voor het beschermen van de nationale cultuur, was Nederland niet altijd zo ingesteld. Traditioneel werd Nederland beschouwd als een van de meest ‘eurofiele’ lidstaten; een voorstander van politieke integratie. Dit veranderde in 2005, toen de Europese grondwet onverwachts werd afgewezen door de Burgers. Was deze gebeurtenis echter wel zo’n groot omslagpunt in de Nederlandse houding? Of was het beeld van Nederlandse eurofilie überhaupt niet juist? Het ging hier immers niet om een plotselinge breuk met het verleden, maar om een geleidelijke verschuiving in de houding van politieke partijen, die al zichtbaar is sinds de jaren ’90.
 
De Europese identiteit als antwoord op groeiende kritiek?
Van kritiek op Europa was er in de Nederlandse politiek een lange tijd geen sprake. Het land stemde in met alle Europese verdragen en bestempelde het verdrag van Maastricht uit 1992 – een van de grootste stappen in de geschiedenis van Europese integratie – als ‘niet ambitieus genoeg’. Wat veranderde er tussen 1992 en 2005, toen binnen een referendum ineens 61,5% procent van de stemmers tegen verdere integratie bleek te zijn?[2] Uit onderzoek bleek ‘angst voor het verliezen van de Nederlandse culturele identiteit’ een belangrijke reden te zijn om ‘nee’ te stemmen.[3] Waar kwam dit ineens vandaan? Terwijl Europese integratie in een sneltreinvaart doorzette, waren de jaren negentig een tijd waarin kritiek groeide. In dit decennium werd een vermeend ‘democratisch tekort’ zichtbaar: publieke weerstand en desinteresse in de Europese politiek namen toe. Om de afstand tussen Brussel en de burger te verkleinen, zette de Europese Unie zich in om haar publieke imago te verbeteren. Een belangrijk middel hiertoe was het stimuleren van de ‘Europese identiteit’. Tegelijkertijd werd nationale identiteit vaker geassocieerd met oppositie tegen verdere integratie.
 
Legitimatie van een politieke orde
Hoewel er over deze complexe begrippen een heel boekwerk kan worden uitgebracht, is het voor nu enkel belangrijk dat identiteit en culturele argumentatie een belangrijke rol gingen spelen in het legitimeren of afwijzen van integratie. Er was hierbij een sleutelrol weggelegd voor nationale politieke partijen. Als één van de grootste bronnen van informatie waren zij in staat om identiteit te mobiliseren voor hun politieke doeleinden. Dit gebeurde door middel van frames: ‘actie-georiënteerde sets van overtuigingen en betekenissen’, die politieke actoren kunnen gebruiken om hun standpunten over kwesties te communiceren en rechtvaardigen.[4] Het specifieke rechtvaardigingsonderdeel werpt hierbij een licht op de argumentatie van de partijen. Het is precies deze argumentatie die het mogelijk maakt om een onderscheid te maken tussen pragmatische steun – gebaseerd op nationale interesses – en eurofilie – gebaseerd op meer ‘affectief’ geloof in een supranationale unie. Er zijn twee typen frames te onderscheiden die hierbij aansluiten. Ten eerste zijn er utilitaire frames waarin argumentatie rust op een kosten/baten verwachting die aansluit bij een pragmatische positie. Dit frame kan zowel economisch als politiek van aard zijn en bestaat voornamelijk uit argumenten als efficiëntie of effectiviteit. Hiernaast bestaan er culturele frames, die weer kunnen worden onderverdeeld in identiteits-gerelateerd en multicultureel-universeel. Voorbeelden van deze eerste groep zijn uitdrukkingen van angst voor massa-immigratie, de waarde van soevereiniteit of de wens om het ‘christelijk erfgoed’ van Europa te beschermen. De tweede groep richt zich op een meer inclusieve vorm van identiteit en hecht waarde aan universele mensenrechten, internationale solidariteit en de extensie van democratie buiten de natiestaat.
 
Politieke partijen en Europese integratie
Zoals eerder benoemd is, was het bestaande beeld van de vier regeringspartijen in de periode – PvdA, VVD, CDA en D66 – erg eurofiel. Dit wordt ook bevestigd wanneer er wordt gekeken naar het stemgedrag van de partijen. Wanneer het politiek debat echter wordt bestudeerd, is er in het verloop der jaren ‘90 een afwijkende partij: de VVD. De toenmalige lijsttrekker – Frits Bolkestein – wordt vaak gezien als de eerste ‘euroscepticus’ binnen een mainstream partij. Hoewel hij als echte liberaal niet tegen economische samenwerking was, stelde hij dat er geen sprake was van een Europese identiteit waarop een federaal en politiek project kon rusten. Deze nieuwe kritische houding wordt vaak gezien als een omslagpunt voor de VVD en daarmee een eerste breuk in de Nederlandse pro-Europa consensus. Maar klopt dit wel? De vraag kan worden gesteld of de VVD zelf in dit opzicht ook achter Bolkestein stond, en of de VVD de enige partij was die kritischer werd op integratie.
 
Frames in de partijprogramma’s
Een van de belangrijkste bronnen waarin partijen hun visie op Europa lieten blijken, waren de partijprogramma’s voor de verkiezingen van het Europees parlement. Een frame-analyse van de documenten uit 1989, 1994, 1999 en 2004 laat zien dat er in deze tijd een subtiele en complexe verschuiving heeft plaatsgevonden in de partijposities. De programma’s uit 1989 werden gekenmerkt door relatief veel culturele frames waarin partijen expliciet verwezen naar een federale unie of de Europese identiteit. Binnen deze verkiezingen waren het vooral de VVD en het CDA die uitgesproken voorstanders waren van een federale unie. Het CDA stelde het als haar ‘historische missie’ om te streven naar de ‘Verenigde Staten van Europa’. De liberalen hadden een vergelijkbare visie en legden extra nadruk op het stimuleren van de culturele Europese identiteit. De partij sprak hiernaast consistent hun kiezers aan met de aanspreekvorm ‘Europeanen’.
 

‘De bescherming en de ontwikkeling van onze culturele identiteit moet een integrerend deel uitmaken van het communautaire beleid’ (VVD, 1989)

 
Opvallend genoeg waren de twee partijen die traditioneel gezien het meest Europagezind zijn – PvdA en D66 – een stuk minder uitgesproken eurofiel. De PvdA stelde zich zelfs vrij pragmatisch op, met veel utilitaire argumenten en een beschermende houding tegenover de Nederlandse cultuur.
 

‘Binnen het Europa, dat wij voor ogen hebben, weten landen zich gebonden door de noodzaak […] zonder dat zij hun specifieke identiteit prijsgeven’ (PvdA, 1989)

 
1994-1999 Een kritischere houding?
Tijdens de verkiezingen van 1994 en 1999 verschoven culturele frames naar de achtergrond. Ondanks het feit dat Bolkestein in 1994 lijsttrekker was geworden bij de VVD, bleef de partij verdere integratie steunen. Ze waren echter wel een stuk minder idealistisch en expliciet federalistisch. Zo werd het woord ‘Europeanen’ vervangen door ‘burgers van lidstaten’. Deze verandering bleef echter niet beperkt tot de VVD, maar was ook zichtbaar in de programma’s van de drie andere partijen.
 

‘Wij wensen de totstandkoming van een Europese grondwet […] Velen maken zich nu zorgen over […] het mogeIijk verlies van nationale, regionale en culturele identiteit’ (VVD, 1994).

 
Ook in 1999 is de meer pragmatische toon duidelijk zichtbaar. Een belangrijk verschil is nu echter dat de D66 bij dezelfde Europese fractie – de ELDR – is gekomen als de VVD. Dit leidde ertoe dat beide partijen zich van elkaar probeerden te onderscheiden: waar D66 vooral de liberale, multiculturele waarden van de fractie benadrukte, positioneerde de VVD zich volledig als economisch liberaal.
 

‘D66 wil op kritische wijze mee bouwen aan een Europa dat het vertrouwen van de burger verdient.’ (D66, 1999).

 
Het CDA was een van de weinige partijen die in deze verkiezingen gebruik maakte van culturele frames. Hoewel de partij duidelijk voorstander was van integratie – ook te zien aan de Europese vlag op de verkiezingsposter- , was de argumentatie niet alleen multicultureel maar ook identiteits-gerelateerd. Bescherming van het christelijk erfgoed en voorkomen van overmatige immigratie waren belangrijke punten in het programma.
 

‘De christen-democratie heeft vanouds een duidelijke kijk op de Europese integratie. Daarin verschilt het CDA van anderen, die Europa nog steeds als een vreemd buitenland beschouwen’ (CDA, 1999).

 
Groeiend euroscepticisme
In 2004 keerden de culturele frames weer in volle glorie terug. Als reactie op de groeiende populariteit van euro-sceptische en populistische partijen, zoals de Lijst Pim Fortuyn, veranderde de toon van de programma’s in 2004 volledig. Naast meer nadruk op culturele argumentatie was het taalgebruik veel directer gericht op kiezers bij de vier partijen. De programma’s van CDA, D66 en PvdA plaatsten veel nadruk op onderwerpen als de Europese identiteit en culturele Europese symbolen.
 

‘Maar Europa is meer dan alleen een instrument, een overheid. Zij is ook een waarde op zich: een identiteit gebaseerd op democratie, vrede en stabiliteit’ (PvdA, 2004).

 

‘Wat ons met elkaar verbindt, gaat dieper. Een gezamenlijk cultuurgoed met een gedeelde historie en gedeelde waarden’ (D66, 2004).

 
Waar het CDA meer aandacht gaf aan nationale identiteit, benoemden de andere twee partijen het inclusieve en multiculturele karakter van de Europese identiteit. De VVD was binnen deze verkiezingen de enige partij die afzag van culturele argumentatie, en was op pragmatische gronden steeds kritischer geworden op verdere integratie.
 
Nederlandse Eurofilie?
Een belangrijke conclusie uit deze analyse, is dat het beeld van blinde eurofilie binnen de grootste Nederlandse partijen niet volledig juist is. Tegelijkertijd wordt het ook duidelijk dat de VVD niet zo snel meeging met de eurosceptische houding van Bolkestein. Hoewel de meeste partijen in grote lijnen eenzelfde houding hadden tegenover Europese zaken, zijn er aan de hand van argumentatiestructuren subtielere veranderingen te onderscheiden. Waarom zijn deze subtiele verschillen belangrijk? Is het niet voldoende om te weten of een partij zich positioneert als voorstander van Europese integratie – en dit in stemgedrag is terug te zien? Het antwoord hierop is te vinden in het concept van legitimiteit. Terwijl er steeds meer sprake was van politieke integratie in de jaren negentig, was de argumentatie voornamelijk pragmatisch. Pas in 2004 werden de culturele frames weer belangrijk; enerzijds als reactie op het groeiende populisme en anderzijds in het kader van het vooruitzicht van een grote verandering: de invoering van de Europese grondwet. De vraag blijft of deze toonverandering niet te laat kwam, en in hoeverre de partijen daadwerkelijk invloed op het electoraat hebben gehad. We weten nu natuurlijk hoe het is afgelopen in 2005, maar verder onderzoek moet uitwijzen in hoeverre de partijen hier invloed op hebben gehad.
 
Redacteur: Martha Peeters
 

Referenties

 
[1] NOS (17-11-2017) ‘De Nederlandse vlag staat in de Tweede Kamer’ https://nos.nl/artikel/2202773-de-nederlandse-vlag-staat-in-de-tweede-kamer.html
[2] Hans Vollaard and Gerrit Voerman ‘De Europese Opstelling van Nederlandse Politieke Partijen’ in Van aanvallen! Naar verdedigen? De opstelling van Nederland ten aanzien van Europese integratie, 1945-2015 (Hans Vollaard, Jan van der Harst and Gerrit Voerman ed.) (Den Haag 2015), 99.
[3] Nederlanders en Europa, 191 ; De Kwestie Europa ; Marcel Lubbers, ‘Regarding the Dutch `Nee’ to the European Constitution: A Test of the Identity, Utilitarian and Political Approaches to Voting `No’’, European Union Politics 9, no. 1 (March 2008): 59–86 ; Andreas R. T. Schuck and Claes H. De Vreese, ‘The Dutch No to the EU Constitution: Assessing the Role of EU Skepticism and the Campaign’, Journal of Elections, Public Opinion and Parties 18, no. 1 (February 2008): 101–28.
[4] Entman, R.M. ‘Framing: Toward clarification of a fractured paradigm’ Journal of Communication 43(4) 1993: 52 in Helbling, Hoegliger & Wüest ‘How Political Parties Frame European Integration’: 498
 
Bronnen:
Afbeelding 1: https://wnl.tv/2017/11/03/klaver-wil-naast-nederlandse-vlag-ook-eu-vlag-tweede-kamer/
Afbeelding 2: https://www.stopdebankiers.com/nederland-uit-de-eu/
Afbeelding 3: https://www.bol.com/nl/p/de-grenzen-van-europa/1001004002058244/
Afbeelding 4 5 en 6: Voerman, Gerrit and Nelleke van der Walle Met het oog op Europa: Affiches voor de Europese verkiezingen, 1979-2009. (Amsterdam: Boom 2009).
 
Secundair:
Aarts, Kees and Henk van der Kolk. ‘Understanding the Dutch “No”: The Euro, the East, and the Elite’. PS: Political Science and Politics 39 (2006) 2, 243–246.
Binnema, Harmen A., and Ben Crum. “Euroscepticism as a Carrier of Mass-Elite Incongruence: The Case of The Netherlands’.” Les Résistances à l’Europe. Cultures Nationales, How parties change 192 (2007).
Entman, R.M. ‘Framing: Toward clarification of a fractured paradigm’ Journal of Communication 43(4) 1993: 52 in Helbling, Hoegliger & Wüest ‘How Political Parties Frame European Integration’: 498
Grande, Edgar, Swen Hutter, Alena Kerscher, and Regina Becker. ‘Framing Europe: Are Cultural-Identitarian Frames Driving Politicisation?’ In Politicising Europe: Integration and Mass Politics (Ed. Swen Hutter, Edgar Grande and Hanspeter Kriesi). Cambridge University Press, 2016.
Harmsen, Robert. 2008. ‘The Evolution of Dutch European Discourse: Defining the “Limits of Europe”’. Perspectives on European Politics and Society 9 (2008) 3, 316–341. https://doi.org/10.1080/15705850802223440.
Helbling, Marc, Dominic Hoeglinger, and Bruno Wüest. ‘How Political Parties Frame European Integration’. European Journal of Political Research 49 (2010) 4, 495–521. https://doi.org/10.1111/j.1475-6765.2009.01908.x
Lubbers, Marcel, and Eva Jaspers. ‘A longitudinal study of euroscepticism in the Netherlands: 2008 versus 1990’ European Union Politics 12 (2011) 1, 21-40. https://doi.org/10.1177/1465116510390062.
Schuck, Andreas R. T., and Claes H. De Vreese. ‘The Dutch No to the EU Constitution: Assessing the Role of EU Skepticism and the Campaign’. Journal of Elections, Public Opinion and Parties 18 (2008) 1, 101–128. https://doi.org/10.1080/17457280701858656.
Wilde, Pieter de ‘Reasserting the Nation State: The Trajectory of Euroscepticism in the Netherlands 1992-2005’. RECON Online Working Papers Series (RECON 2009).
 
Primaire bronnen:
CDA, Europese Volkspartij, and EVP, In het hart van de Europese samenleving (1989).
CDA, Europese Volkspartij, and EVP, Europa 2000: eenheid in verscheidenheid : Actieprogramma 1994-1999 van de Europese Volkspartij (1993).
CDA, Europese Volkspartij, and EVP, Op weg naar de 21e eeuw : manifest van de Europese Volkspartij (1999).
Europese Volkspartij, and EVP, and CDA, Actieprogramma van de Europese Volkspartij 2004-2009 (2004)
ELDR, Unity in Freedom: The Liberal Challenge for Europe (1999).
ELDR, Visie van de ELDR voor Europa. (2003)
D66, Europees Verkiezingsprogramma 1989-1994 (1989).
D66, D66 voor een duurzaam, democratisch en open Europa (1994).
D66, Het succes van Europa : D66 manifest voor de verkiezing van het Europees Parlement 1999-2004 (1999).
D66, Een succesvol Europa (2004).
PES, Programma voor de Europese verkiezingen van 1999 (1999).
PES, Growing stronger together. Five commitments for the next five years : Manifesto of the Party of European Socialists for the June 2004 European Parliament elections (2004).
PvdA, ’n Rechtvaardige samenleving in een schoner Europa :Europees verkiezingsprogramma 1989 – 1994. (1989).
PvdA, and PES, Manifest voor de verkiezingen voor het Europees Parlement van juni 1994 (1994).
PvdA, Europa is van iedereen (1999).
PvdA, Een sterk en sociaal Europa (2004).
VVD, and ELDR, Een Europa van vrije en bewuste burgers : Europees verkiezingsprogramma ’89 van de Europese Liberaal-Democraten (1989).
Marleen van Ooijen

Marleen van Ooijen

Het artikel is gebaseerd op mijn bachelorscriptie, waarin ik het concept Europese identiteit in verband heb geprobeerd te brengen met de verschuivende visies op Europa binnen de Nederlandse politiek. Ik ben inmiddels bijna afgestudeerd aan mijn bachelor Liberal Arts & Sciences waarin ik een hoofdrichting heb gevolgd in Conflict Studies en politieke geschiedenis. Deze twee interesses komen binnen de scriptie zelf samen, doordat het een brug probeert te slaan tussen historische ontwikkelingen en sociologische theorieën – hoewel dit artikel zelf eerder historisch is.

Toen ik rond de 8 jaar was wist ik zeker dat ik later boeken zou gaan schrijven. Nu ondertussen niet meer, maar schrijven blijft wel een hobby. Wat ik hierna ga doen is nog onzeker, misschien ooit in Brussel maar eerst even op reis.