In het ‘rampjaar’ 1672 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen in het zuiden, westen en oosten van het land. De achtereenvolgende oorlogsverklaringen van Engeland, Frankrijk, en de bisdommen van Keulen en Münster zorgden voor totale chaos. De volgende spreuk omvat het gevoel van onmacht in deze tijd:

“Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.”

Johan de Witt, de raadpensionaris tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672), was verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de Republiek. Hij werd samen met zijn broer Cornelis aansprakelijk gehouden voor de benarde situatie waarin het land tijdens het Rampjaar verkeerde. De broers werden doelwitten van lastercampagnes, waarin ze onder meer werden beschuldigd van landverraad. De grote onvrede in de Republiek bereikte een hoogtepunt op 20 augustus 1672. Op deze dag werden de gebroeders De Witt vlakbij het Binnenhof te Den Haag op beestachtige wijze vermoord door een laaiend volk. De Rotterdamse dichter Joachim Oudaan (1628-1692), hier rechtsonder afgebeeld, was ooggetuige van de brute moord en daaropvolgende lynchpartij.[1] De gebeurtenis wekte zijn interesse, en verontwaardiging…

 

Afbeelding 1: portret van Joachim Oudaan, getekend door A. Houbraken tussen 1709 en 1726. De afbeelding is afkomstig uit Rijksstudio, de digitale catalogus van het Rijksmuseum. Objectnummer: RP-P-OB-47.846

Meer dan een dichter
Joachim Oudaan (of Oudaen) werd op 7 oktober 1628 geboren te Rijnsburg als zoon van een bakker, maar ontwikkelde zich gedurende zijn leven als een bekend figuur binnen de Republiek der letteren. Hij debuteerde op zijn achttiende met een aantal gedichten en bracht op twintigjarige leeftijd zijn eerste toneelstuk uit: Johanna Grey (1648). Naast dichter was Oudaan ook een succesvol ondernemer. Zo bezat hij zijn eigen tegelbakkerij in Rotterdam. Verder was Oudaan een republikein, een aanhanger van de politiek van De Witten, bekend als de ‘Ware Vrijheid’. Hun beleid hield in dat de provinciën van de Republiek niet werden bestuurd door een centrale machthebber, zoals een vorst, maar over zichzelf beschikten. Zij werden gemanaged door regenten (machtige kooplieden). Als ondernemers hadden regenten namelijk het meeste baat bij het handhaven van een neutralistische vredespolitiek, opdat de internationale handel en daarmee de economie van de Republiek stabiel bleef.[2]

Tot slot was Oudaan een rationalist en een vrijzinnig christen, een zogenoemde ‘collegiant’. Dit houdt in dat hij geloofde in een christendom dat vrij is van intolerantie en dogma’s, en waarbinnen een individuele beleving van het geloof – het directe contact met God – centraal staat. Waar Oudaan als collegiant tegen was, valt tegenwoordig onder de noemer ‘fundamentalisme’: een strenge interpretatie van de godsdienst.[3]

 

Oudaans dichtwerk illustreert zijn visie op de wereld en het geloof. Zijn stijl wordt gekenmerkt door realistisch taalgebruik en, vanwege zijn religieuze achtergrond, verwerpt hij het gebruik van mythologische verwijzingen in de poëzie. Verder werd de Rotterdamse dichter vooral geboeid door politieke en godsdienstige thema’s. Het is dan ook niet vreemd dat de moord op de gebroeders De Witt zijn volledige aandacht trok…

 

Afbeelding 2: titelpagina van Oudaans Haagsche broeder-moord (1673). De afbeelding is beschikbaar op de website van de Digitale bibliotheek der Nederlandse letteren (DBNL).

Een zwart decor
Vlak na de lynchpartij klom Oudaan in de pen om zijn ideeën over de moord op de gebroeders De Witt vast te leggen. Een manier waarop hij dit heeft gedaan, is in de vorm van een toneelstuk. In april 1673 voltooide de Rotterdammer het Haagsche broeder-moord of dolle blydschap. Treurspel. In zijn tragedie over de moord op de gebroeders De Witt schuift de dichter zijn mening niet onder stoelen of banken: hij is er van overtuigd dat het ‘redeloos volk’ niet op eigen houtje de broers van het leven heeft beroofd, zoals het in de officiële geschiedschrijving wordt vermeld, maar dat de nieuwe stadhouder van Holland, Willem III van Oranje-Nassau (1650-1702), achter de moord zat. Volgens de dichter zijn Cornelis en Johan de Witt de onschuldige slachtoffers geworden van een orangistisch complot.

 
Haagsche broeder-moord is nooit opgevoerd, wat eigenlijk ook niet verrassend is. Ten eerste was het zeer gevaarlijk om net na de dood van de De Witten een anti-orangistisch toneelspel te produceren. De Oranjes hadden sinds 1672 immers weer de macht binnen de Republiek. Ten tweede is het de vraag of de dichter het spel überhaupt voor opvoering heeft geschreven. Zo is het taalgebruik stroef en zijn de dialogen ingewikkeld. Daarnaast bevat het stuk een enorme hoeveelheid historische details. Geen luchtige voorstelling dus.

 

Complottheorieën
Dramatiek is niet het enige genre waarmee Oudaan de onschuld van de gebroeders De Witt naar voren heeft gebracht. Zo heeft de dichter naar aanleiding van de moord een pamflet geschreven onder het pseudoniem ‘R(aedt) D(aer) N(aer)’ en nog een tweetal kritische gedichten. In deze drie publicaties haalt de dichter niet alleen opnieuw uit naar de Oranje-stadhouder, maar ook naar diens bondgenoot: de calvinistische kerk, de officieuze Staatskerk van de Republiek. De republikeinen (en dus ook Oudaan) vonden dat de Kerk zich niet met staatszaken mocht bemoeien. De Kerk dacht hier echter anders over, en koos in tijden van botsende machtsverhoudingen tussen de republikeinen en de stadhouder telkens de kant van de Oranjes. Andersom had deze familie ook baat bij de steun van de predikanten: samen sta je immers sterker. Dit bondje zorgde ervoor dat Oudaan naast Willem III ook deze orthodoxe calvinisten schuldig achtte aan de moord op Johan en Cornelis de Witt. Ze speelden volgens hem onder een hoedje.

 

Moord en brand
Om de lezers te overtuigen van zijn visie op de moord op de gebroeders De Witt, vergelijkt Oudaan de gebeurtenis met destijds roemruchte religieuze vervolgingen van protestantse gemeenschappen. Hij noemt moordpartijen die in Frankrijk, Ierland en Italië zijn aangericht door katholieken gedurende de zestiende en zeventiende eeuw. Een van die vervolgingen vond plaats in Parijs in 1572 op de nacht van 23 op 24 augustus. Tijdens deze nacht vond een bloederige vervolging plaats van de hugenoten (Franse protestanten) door rooms-katholieken gedurende het feest van de Heilige Bartholomeus. Onder de duizenden slachtoffers bevond zich Admiraal Gaspard de Coligny, de aanvoerder van de hugenoten. Deze nacht is de geschiedenisboeken ingegaan als Bartholomeusnacht of Parijse bloedbruiloft.[5]

 

In een van zijn publicaties linkt Oudaan de moord op de gebroeders De Witt niet alleen aan de genoemde vervolgingen, maar ook aan moorden die in dezelfde periode plaatsvonden op beroemde en hooggeplaatste politieke machthebbers, zoals de zojuist besproken Coligny, Willem van Oranje, koning Hendrik IV van Frankrijk en koning Karel I van Engeland. Oudaan houdt met deze vergelijkingen Willem III (de toenmalige stadhouder van Holland) een spiegel voor. Zo illustreert de dichter de wreedheid van de lynchpartij – waarin de Oranje-stadhouder volgens Oudaan immers een belangrijk aandeel had – door het niet alleen te verbinden met de afschuwelijke Bartholomeusnacht, maar ook met de onrechtmatige moorden op deze politieke kopstukken. Wat deze vergelijking meer beladen maakt, is dat Willem van Oranje, Hendrik IV en Karel I stuk voor stuk (verre) familieleden zijn van Willem III.

 

Afbeelding 3: ‘De lijken van de gebroeders De Witt’ door de Haagse schilder Jan de Baen, gemaakt tussen 1672 en 1675. De afbeelding is opnieuw afkomstig uit Rijksstudio. Objectnummer: SK-A-15

Verborgen boodschap
Zoals hierboven is besproken, stelt Oudaan de politieke moord op de gebroeders De Witt gelijk aan de afslachting van de hervormde christenen door de katholieken. Dit is een behoorlijke overdrijving; duizenden vermoorde en gemartelde protestanten versus twee gelynchte broers. Desalniettemin geeft deze vergelijking Oudaan de gelegenheid om het gevoel van verontwaardiging op te roepen bij zijn publiek, gericht tegen stadhouder Willem III en de calvinistische kerk. Zoals we ondertussen weten, acht hij hen verantwoordelijk voor de dood van Johan en Cornelis de Witt. Andersom probeert Oudaan mededogen op te wekken met de broers, de slachtoffers, door gebruik te maken van hetzelfde politiek-religieuze kader.

 

De vergelijking van de moord op de gebroeders De Witt met deze omstreden gebeurtenissen heeft niet alleen als doel om het publiek te emotioneren en te overtuigen van Oudaans politieke visie op de situatie. Wanneer de gedichten namelijk niet worden bekeken vanuit Oudaans politieke voorkeur, maar vanuit zijn religieuze achtergrond, dan wordt duidelijk dat hij de vergelijking ook gebruikt om kritiek te geven op de dogmatische (of fundamentalistische) rechtlijnigheid van zowel de Rooms-Katholieke als de Protestantse Kerk. Zoals eerder in dit artikel is beschreven, was Oudaan een rationalist die het geloof niet vanuit een bepaalde doctrine aanhing. Zijn geloofsbeleving was individualistisch. Ook Oudaans kritiek op de houding van dogmatische christenen gaat dus schuil achter de wijze waarop hij de gebeurtenis van 20 augustus 1672 beschrijft. Zo slaat hij met zijn gedichten twee vliegen in één klap.

 

Door middel van beladen vergelijkingen heeft Oudaan niet alleen de moord op de gebroeders De Witt tot een gebeurtenis van Europees belang verheven, maar ook getracht om zijn lezers emotioneel te overtuigen van zijn standpunt en visie, als zijnde een republikein én collegiant.

 

Redacteur:  Maaike Homan

Referenties

[1] Prud’homme van Reine, Ronald. Moordenaars van Jan de Witt: De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2013.
[2] Panhuysen, Luc. De ware vrijheid: De levens van Johan en Cornelis de Witt. Amsterdam: Olympus, 2005.
[3] Fix, Andrew C. Prophecy and Reason: The Dutch Collegiants in the Early Enlightenment. Princeton, NJ: Princeton UP, 1991.
[4] Gemert, Lia van. “De Haagsche Broeder-Moord: Oranje ontmaskerd.” Literatuur 1 (1984): 268-276.
[5] Duits, H. Van Bartholomeusnacht tot Bataafse opstand: Studies over de relatie tussen politiek en toneel in het midden van de zeventiende eeuw. Hilversum: Verloren, 1990.

Sanne Hermans

Sanne Hermans

Sanne Hermans (25) heeft Geschiedenis en Nederlandse Taal en Cultuur gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. De keuze voor deze combinatie is het resultaat van haar interesse voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waarbinnen de letterkunde van de Gouden Eeuw een speciale plaats inneemt. Het bovenstaande artikel heeft ze geschreven naar aanleiding van haar bachelorscriptie voor de specialisatie Historische Letterkunde binnen NTC. Voor deze scriptie heeft ze in 2017 de Elsevier Weekblad/Johan de Witt-scriptieprijs mogen ontvangen. Tegenwoordig is ze druk bezig om voor beide opleidingen een mastertitel te behalen aan de Universiteit van Amsterdam.