Het is misschien wel het meest ongrijpbare fenomeen van de mens: het bewustzijn. In de tijd dat we op deze aardbol rondwandelen, lijkt het alsof er iets of iemand in onze hersenpan huist die kleuren ziet, pijn voelt en van vallende herfstbladeren geniet. Een wetenschappelijke beschrijving van het brein biedt geen plaats aan dit ‘ik’ dat zijn hersenprocessen actief beleeft. Wordt het bewustzijn hiermee ontmaskerd als een illusie? Of is het zó ongrijpbaar dat we het – naast tijd, ruimte en massa – als fundamentele eigenschap van de werkelijkheid moeten aannemen?

 

De ontwikkeling van het bewustzijn
Filosoof Arnold Gehlen karakteriseert de mens als das Mängelwesen: het wezen met een gebrek.[1] De mens is zwak, kwetsbaar en incompetent. We kunnen niet eens eten verteren voordat we het zorgvuldig hebben bewerkt tot een onherkenbaar prakje. Zonder de vacht van een ander wezen als jas, sterven we van de kou. Dit fysiologische onvermogen onderscheidt ons van andere dieren. Toch herbergt deze pathetische naaktheid ook het succes van onze soort.

 

Scherpe klauwen of een dikke vacht bieden immers voordelen die alleen gelden in een specifieke omgeving. Met verandering kunnen veel dieren slecht omgaan. Zodra iemand een hek om de Oostvaardersplassen zet, zit er voor de Konikpaarden niets anders op dan stilletjes te verhongeren. Onze menselijke naaktheid betekent dat we Umweltfrei zijn: we zijn vrij van een specifieke omgeving.[2] De mens moet het hebben van leervermogen en improvisatie. Taal speelt hierin een cruciale rol. Het maakt denkgereedschappen mogelijk waarmee we kunnen nadenken over zaken die niet in het hier en nu zijn. Met taal rukken we ons niet alleen los van onze omgeving, maar ook van onszelf. We kunnen herinneringen, driften en emoties onder woorden brengen. Dit creëert de behoefte aan een subject – iets waaraan al deze gedachten toegeschreven kunnen worden.

 

Volgens de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett is uit deze behoefte ons ‘ik’ geboren.[3] Dit ‘ik’ bestaat net als de spijsvertering en de stofwisseling uit een geestloos proces. Maar is dit wel zo? Mijn spijsvertering en stofwisseling zijn inderdaad geestloos. Het voelt niet als iets om spijzen te verteren of stof te wisselen, want die processen gebeuren onbewust. Mijn ‘ik’ voelt wél als iets. In tegenstelling tot de andere processen heeft het een bewustzijn. Ik ervaar alle kleuren die ik zie, geluiden die ik hoor en pijn die ik voel. Dit wordt de ‘subjectieve ervaring’ genoemd. De Australische bewustzijnsfilosoof David Chalmers stelt op basis hiervan dat Dennett het mis heeft. Volgens Chalmers is de essentie van ons bewustzijn dat het als iets voelt om bewust te zijn.

 

Voor het moeilijke probleem van bewustzijn zijn beschrijvingen van mechanismen die een functie vervullen niet genoeg.

Het bewustzijn als meer dan het brein
Chalmers onderscheidt twee soorten problemen in het ontrafelen van het bewustzijn: the easy problems en the hard problem. Volgens Chalmers is het moeilijke probleem de kern van het probleem van bewustzijn. De makkelijke problemen van bewustzijn worden opgelost met een beschrijving van een mechanisme. Hieronder vallen bijvoorbeeld gezichtsherkenning, spraaksynthese en evenwichtsgevoel. Voor het moeilijke probleem van bewustzijn zijn beschrijvingen van mechanismen die een functie vervullen niet genoeg. Naast zulke beschrijvingen blijft namelijk altijd de volgende vraag bestaan: waarom gaat dit proces gepaard met subjectieve ervaring? Dit is in essentie het moeilijke probleem.

 

Als we denken en waarnemen, vindt er in het brein informatieverwerking plaats, maar er is ook een subjectief aspect. Als we zien, bijvoorbeeld, ervaren we visuele sensaties: de gevoelskwaliteit van roodheid, de ervaring van donker en licht, de kwaliteit van diepte in je gezichtsveld.[4] Het voelt alsof er een ‘ik’ in ons brein zetelt die alle zintuiglijke informatie ervaart alsof hij in een theater zit. Deze individuele sensaties noemen filosofen qualia. Elke zintuiglijke ervaring bestaat uit qualia, net als elke gedachte.

 

Chalmers komt hierdoor uit op een positie die hij zelf als dualistisch omschrijft, omdat het eigenschappen van de wereld omschrijft die buiten de natuurwetten treden. Aangezien we bewustzijn niet kunnen reduceren tot meer fundamentele processen, moeten we bewustzijn zelf als fundament beschouwen.

 

Een aanname in Chalmers’ redenering over de moeilijkheid van het verklaren van bewustzijn is dat een mechanistische beschrijving van de processen in het brein niet voldoende is om bewustzijn te verklaren. Volgens Chalmers is er meer nodig. Hier ligt de kern van de onenigheid tussen Chalmers en Dennett.

 

Het bewustzijn als illusie
Dennett is het niet eens met Chalmers. Hij stelt namelijk dat alle soorten perceptie – dus ook alle soorten gedachten en mentale activiteiten – in het brein bestaan uit verschillende soorten hersenprocessen. Er bestaat geen moeilijk probleem van bewustzijn. Het doorgronden van functies verklaart volgens Dennett ons bewustzijn. Er blijft niet, zoals Chalmers beweert, nog een fenomeen over dat verklaring behoeft.

 

Voor Dennett ontstaat de illusie van bewustzijn uit de interactie tussen wat de hersenen ontvangen en hoe ze ermee omgaan.

De Filosofische Zombie
Om het verschil tussen Dennett en Chalmers duidelijk te maken, belichten we hun visies op een bekend filosofisch gedachte-experiment: de Filosofische Zombie. Een filosofische zombie is een wezen dat een kopie is van een mens in alle materiële opzichten, maar waarbij bewustzijn ontbreekt. Als je een filosofische zombie een klap in het gezicht geeft, zal hij terugdeinzen als reflex en ‘au’ zeggen, simpelweg omdat dezelfde mechanische processen in werking treden als bij een normaal mens. In tegenstelling tot een normaal mens ervaart hij geen pijnsensatie. De mogelijkheid van een filosofische zombie bewijst volgens Chalmers dat hersenprocessen niet identiek zijn aan bewustzijn, omdat de twee los van elkaar kunnen bestaan.

Dennett gelooft niet dat het mogelijk is om de denkbaarheid van filosofische zombies te accepteren, omdat ze logisch incoherent zijn. Elke ‘zombie’ die dezelfde mechanische operaties uitvoert binnen de geest en dezelfde invoer ontvangt, moet ook dezelfde illusie van bewustzijn ervaren. Qualia zijn volgens Dennett helemaal geen coherent begrip en daardoor niet los te denken van hersenprocessen. Voor Dennett ontstaat de illusie van bewustzijn uit de interactie tussen wat de hersenen ontvangen en hoe ze ermee omgaan. Ontmantelt Dennett hiermee het moeilijke probleem van Chalmers?

null

Waarom Dennett het moeilijke probleem niet oplost
De filosoof Brian Earp stelt dat Dennett in zijn uitleg eigenlijk bewustzijn negeert, door verschillende definities van bewustzijn te hanteren die niet ingaan op het concept van bewustzijn zoals Chalmers dit hanteert. Dennett heeft het alleen over definities van toegangsbewustzijn, oftewel informatie die globaal beschikbaar is in het cognitieve systeem met het oog op functies zoals redeneren en spreken. Fenomenologisch bewustzijn, het bewustzijn zoals we dit vanuit onze ‘ik’ ervaren, negeert hij.

 

Earp stelt dat het moeilijke probleem opgelost kan worden, maar niet op de manier van Dennett of Chalmers. Waar Dennett het probleem negeert, kan Chalmers het niet verklaren, in Earp’s optiek doordat Chalmers het als fundamentele eigenschap neemt. Volgens Earp is het noodzakelijk om zowel duidelijk te stellen wat bewustzijn is (in relatie tot qualia) en vast te stellen wat als verklaring geldt. Alleen dan kunnen we het moeilijke probleem oplossen, een probleem dat weldegelijk bestaat.[5]

 

Waarom Dennett het moeilijke probleem wél oplost
Dennetts materialistische perspectief schiet inderdaad tekort. Hij is vooralsnog niet in staat om een bevredigend recept van ons bewustzijn te leveren. Zijn theorie is echter wel in het bezit van iets anders, want hoewel Dennett zelf inmiddels de 75 is gepasseerd, lijkt zijn werkveld het enthousiasme van een jonge hond te bezitten.

 

Inzichten uit neurowetenschappelijke hoek kloppen steeds vaker aan bij andere disciplines. Vorig jaar werd bekend dat er onder leiding van toenmalig staatssecretaris Klaas Dijkhoff geëxperimenteerd werd met het toedienen van voedingssupplementen bij jonge criminelen. Omega-vetzuren zouden het functioneren van de hersenen bevorderen en antisociaal en agressief gedrag tegengaan. Voorheen focuste men zich op psychologische en sociale behandelingen. Nu meldt de neurowetenschap zich als het potentiële puzzelstuk om de rehabilitatie van criminelen compleet te maken.

 

Eenzelfde rol kan de neurowetenschap spelen in het onderzoeken van ons bewustzijn. Het is aan de neurowetenschap om alle makkelijke problemen op te lossen. Volgens Dennett zal met het oplossen van de makkelijke problemen het moeilijke probleem worden ontmaskerd als een pseudoprobleem. Als we de mechanische werking van het denken, plannen, herinneren en de andere cognitieve functies hebben doorgrond, blijft er niets meer over om te verklaren.

 

De een ziet het bewustzijn als illusie, de ander als fundament.

Conclusie
Das Mängelwesen is door zijn gebrek aan klauwen, vacht of vleugels een kraamkamer gebleken voor ons ‘ik’: een denkend ding dat ideeën verzint, op zichzelf reflecteert en om een of andere reden een bewustzijn heeft. Daniel Dennett stelt zijn vertrouwen in het voortschrijden van de neurowetenschap om dit bewustzijn te ontrafelen. David Chalmers waarschuwt dat hij zich hiermee in een cul-de-sac begeeft.[6] De een ziet het bewustzijn als illusie, de ander als fundament. Dennett noemt het burden tennis, omdat beide partijen claimen dat de bewijslast bij de ander ligt.

 

Waar Dennetts materialistische positie echter de gretigheid van een jonge speurhond symboliseert, staat Chalmers slechts afschrikwekkend te blaffen voor de poorten van het bewustzijn. Een fenomenologisch perspectief kan nooit verklaren waarom er bewustzijn is. Het beschouwt bewustzijn als een fundamenteel iets en kan dit enkel inzetten om andere theorieën af te wijzen. Een eigen theorie van bewustzijn kan Chalmers niet formuleren. Pas als de wetenschap faalt, kunnen we berusten in het lot van een waakhond als Chalmers. Tot dan verdient Dennett krediet voor zijn theorie om het bewustzijn te doorgronden.

 

Redacteurs: Thom Hamer en Maaike Homan

Referenties

[1] Arnold Gehlen. Der Mensch Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Frankfurt am Main: Klostermann RoteReihe, 1940.
[2] Helmuth Plessner. Hoe de mens bestaan kan: inleiding in de wijsgerige antropologie. Alphen aan den Rijn: Samsom, 1961.
[3] Daniel C. Dennett. Van Bacterie naar Bach en Terug. Amsterdam: Atlas Contact, 2017.
[4] David J. Chalmers. “Facing Up to the Problem of Consciousness”, 2006, pag. 3. http://consc.net/papers/facing.pdf (05-07-2018)
[5] Brian D. Earp. “I can’t get no (epistemic) satisfaction: Why the hard problem of consciousness entails a hard problem of explanation.” (2012): 15-16.
[6] Teed Rockwell. “The Hard Problem is Dead; Long Live the Hard Problem.” http://www.cognitivequestions.org/hardproblem.html (05-07-2018).

Afbeelding
Fred Tomaselli, privécollectie. https://www.newstatesman.com/culture/books/2017/02/how-nature-created-consciousness-and-our-brains-became-minds

Overige bronnen
Daniel C. Dennett. Consciousness Explained. Boston, Massachusetts: Little, Brown and Company, 1991.
Daniel C. Dennett. “Facing Backwards on the Problem of Consciousness.” Journal of Consciousness Studies 3.1 (1996): 4-6.

Stefan Gaillard Hugo van der Meer en Michiel Hekkens

Stefan Gaillard, Hugo van der Meer en Michiel Hekkens

Stefan Gaillard, Hugo van der Meer en Michiel Hekkens studeren alle drie aan de Universiteit Utrecht. Ze kwamen elkaar tegen bij het Honours-programma van de faculteit Geesteswetenschappen. Hugo studeert Kunstmatige Intelligentie en heeft zich verdiept in de overtuigingstechnieken van goede doelen. Stefan volgt de masters Applied Cognitive Psychology en History and Philosophy of Science. Daarnaast is hij landelijk secretaris van de Libertarische Partij. Michiel studeert Filosofie en probeert aan de weg te timmeren als columnist.